Grimnismal – Edda voor de jeugd project
2 grimnismal
Het lied van grimnir
Vertaald door PapaWolf
Koning Hraudung had 2 zonen: De ene heette Agnar en de ander Geirröd.
Agnar was tien winters, en Geirröd acht winters oud.
Op een dag zaten ze samen in een roeibootje om kleine visjes te vangen.
Toen blies de wind ze in de richting van de zee. In de donkere nacht spoelden zij aan bij een strand. De twee jongens gingen aan land en kwamen een arme boer tegen, waar ze overwinterden.
De vrouw zorgde voor Agnar, de boer voor Geirröd.
De man  gaf Geirröd allerlei wijze levenslessen.
In de lente gaf de boer de twee jongens een schip.
Hij bracht ze samen met zijn vrouw naar het strand.
De man riep Geirröd bij zich, en vertelde hem iets wat Agnar niet mocht weten.
Ze vertrokken met het schip. De wind was gunstig, Â en al snel waren ze terug bij de burcht van hun vader.
Geirröd, die voor in het schip zat, sprong aan land, duwde het schip terug en zei: Vaar nu heen naar het boze trollenbos! Het schip dreef weg de zee in, en Geirröd ging terug naar de burcht waar hij woonde. Daar hoorde hij dat zijn vader, koning Hraudung was doodgegaan. Dit betekende dat Geirröd de nieuwe koning werd. Hij was ineens erg machtig!
Odin en zijn vrouw Frigg zaten op hun troon Hlidskjalf en keken over de wereld heen. Toen zei Odin tegen Frigg: “… Zie je Agnar, je pleegzoon? Zie je wel hoe hij daar samen met een reuzin in een grot leeft? Ze hebben zelfs samen kinderen gekregen!
Maar Geirröd, MIJN pleegzoon is nu koning en is de baas van het land.â€
Frigg zei:â€Maar hij is zo gierig dat hij zijn gasten laat verhongeren als er teveel komen!â€
Odin zei dat dit een grote leugen was. Hij wilde wel een weddenschap maken om zijn gelijk te bewijzen.
Frigg stuurde haar dienstmeid Fulla naar Geirröd toe. Zij moest de koning vertellen dat hij moest uitkijken voor een boze tovenaar. “Geen hond, hoe gevaarlijk ook, zal hem willen bijten, daar kun je de tovenaar aan herkennenâ€, zei Fulla tegen Geirröd.
Het was echter een grote leugen dat koning Geirröd zo slecht voor zijn gasten zorgde! Toch liet de koning de man oppakken, waarbij de gevaarlijkste honden zelfs niet bijten wilden.
De man droeg een blauwe mantel en noemde zichzelf Grimnir. Maar meer vertelde hij ook niet, zelfs niet als het hem gevraagd werd. De koning liet Grimnir pijn doen, om hem op die manier te laten praten. Hij zette Grimnir tussen twee vuren. Daar zat hij acht nachten.
Koning Geiröd had een zoon die tien winters oud was en Agnar heette, net als zijn broer. De zoon ging naar Grimnir toe, en gaf hem een volle hoorn te drinken. Agnar zei tegen Grimnir:â€Het is slecht van mijn vader de koning dat hij een onschuldige zo laat pijnigen.â€
Grimnir dronk de beker leeg. Het vuur was zo ver gekomen dat zijn mantel begon te branden!
Grimnir zei:
1.
Heet ben je vlam, en veel te groot,
Trek je toch terug! De mantel smeult,
Hoe ik hem ook naar me toe trek,
Mijn mantel vat vlam!
2.
Acht nachten zat ik hier,
Zonder dat iemand mij eten of drinken bracht,
Behalve Agnar! Daarom zal hij heersen
Over het land van de Goten.
3.
Geluk wens ik jouw Agnar!
Ik, Grimnir wens jouw al het goede toe!
Voor één drinkbeker krijg je nooit een groter geschenk,
Dan wat ik je zojuist gegeven heb.
4.
Heilig is het land dat ik liggen zie,
niet ver van de Azen en Alven.
Daar in Thrudheim zal Thor wonen,
Totdat de goden vergaan!
5.
Ydalir heet het,
waar Uller zijn zaal heeft gebouwd.
Alfheim gaven de goden aan Freyr,
In het begin der tijden als geschenk.
6.
De derde hal is waar de vrolijke goden,
De zaal met zilver dekten.
Walaskialf heet deze,
Uitgekozen door de god in oude tijd.
7.
Sökvabek heet de vierde,
Koele golven stromen er altijd.
Odin en Saga drinken daar alle dagen,
Gelukkig uit gouden bekers.
8.
Gladsheim heet de vijfde,
Waar het goud blinkt van Walhalla’s brede hal:
Daar kiest Odin elke dag,
Door het zwaard verslagen mannen.
9.
Makkelijk te herkennen,
Voor hen die tot Odin komen,
Is de zaal als ze hem zien:
Van speren zijn de wanden,
Met schilden het dak gemaakt,
De tafelbanken zijn met maliënkolders bedekt.
10.
Makkelijk te herkennen,
Voor hen die tot Odin komen.
De zaal, als ze hem zien:
Een wolf hang voor de westelijke deur,
Dreigende daarboven hangt een adelaar.
11.
Thrymheim heet de zesde,
Waar ooit Thiassi woonde, de machtige reus.
Nu woont Skadi, de verlegen bruid van de goden,
In haar vaders oude burcht.
12.
De zevende is Breidablick:
Daar heeft baldur zijn hal gebouwd,
In een omgeving, heel ver weg,
Van alle slechte en boze dingen.
13.
Himinbiörg is de achtste,
Waar Heimdall over de heilige plaats zal heersen.
De wachter van de goden drinkt in het vredige huis,
tevreden de zoete mede.
14.
Volkwang is de negende:
Daar heeft freyja de keuze,
Wie mag zitten in de stoelen van de zaal.
De helft van het slagveld kiest zij dagelijks,
Odin heeft de andere helft.
15.
Glitnir is de tiende,
Op gouden zuilen rust het zilveren dak van de burcht,
Daar zit Forseti lange dagen,
Hij is de scheidsrechter van alle soorten ruzie.
16.
Noatun is de elfde:
Daar heeft Niördr zijn zaal gebouwd,
Foutloos regeert de heer der mannen,
Vanuit zijn hoge huis.
17.
Met struiken,
En hoge grassen begroeid,
Is Widi, het land van Widar.
Daar stijgt de zoon in het zadel van de merrie,
Klaar om zijn vader te wreken.
18.
De kok Andhrimnir laat in de ketel Eldhrimnir,
Het everzwijn Sährimnir koken,
Het is het beste vlees,
Maar weinigen weten,
Dat van dit vlees de gevallen krijgers elke dag eten.
19.
De wolven Geri en Freki worden gevoerd door Odin,
De heervader van de oorlog.
Omdat de wapenheer Odin,
Eeuwig leeft van wijn alleen.
20.
De raven Hugin en Munin,
Moeten elke dag over de aarde vliegen.
Ik ben bang dat Hugin niet meer thuis komt,
Maar ik ben nog bezorgder om Munin.
21.
De rivier Thundr dreunt luid,
De vis van de reuzenwolf Thiodwitnir,
Speelt in het woeste water.
De onstuimige stroom is te sterk,
De gevallen krijgers kunnen er niet doorheen.
22.
Walgrind heet het hekwerk,
Dat staat op de heilige vlakte voor heilige deuren.
Oud is het hek.
Toch weten maar weinigen,
hoe de grendel los te krijgen.
23.
Vijfhonderd en veertig deuren,
Weet ik in Walhalla
Achthonderd gevallen krijgers,
Stormen uit iedere deur,
Als de tijd om de wolf te weren gekomen is.
24.
Vijfhonderd en veertig kamers,
Weet ik in de burcht Bilskirnir.
Van alle huizen die daken hebben,
Heeft mijn zoon Thor het grootste.
25.
Heidrun heet de geit op de zaal van Odin,
Die aan de blaadjes van de boom Laerads knaagt.
Zij vult het vat met de helderste mede,
Deze drank kan nooit op geraken!
26.
Eikthyrnir heet het hert op de zaal van Odin,
Die aan de blaadjes van de boom Laerads knaagt.
Van zijn gewei drupt het naar de bron Hvergelmir:
Vanuit deze bron zijn alle rivieren ontstaan.
27.
Sid en Vid
Sækin en Eikin
Svol en Gunnthro,
Fiorm en Fimbulthul,
Rin en Rennandi,
Gipul en Gopul,
Gomul en Giervimul,
Wentelend stromen zij tussen de godenwereld,
Thyn en Vin
Tholl en Holl,
Grad en Gunnthorin
28.
VÃna heet de een, Vegsvinn de ander,
de derde, Thjóthnuma;
Nyt en Not, Nonn en Hronn,
SlÃth en Hrith, Sylg en Ylg,
Vil en Van, Vond en Strond,
Gjoll en Leiptr:
Zij stromen dicht bij de mensen,
En stromen van hier,
Beneden naar Hel.
29.
De rivieren Kormt en Ormt,
Kerlaug maal twee,
Waar Thor dagelijks doorheen loopt.
Als hij gaat om recht te spreken,
Bij de Es Yggdrasil,
Want de Azenbrug staat in brand,
De heilige wateren koken.
30.
Glad en Gyllir,
Gler en Skeidbrimir,
Sillfrintopp en Sinir,
Gisl en Falhofnir,
Gulltopp en Lettfeti;
Dit zijn de namen van de paarden,
Welke de Azen dagelijks berijden,
31.
Drie wortels reiken naar drie kanten,
Onder de Es Yggdrasil:
Hel woont onder de één,
De ijsreuzen onder de ander,
De mensen onder de derde.
32.
Ratatösk heet de eekhoorn,
Hij rent omhoog en omlaag over de Es yggdrasil:
Hij luistert naar wat de adelaar in de top allemaal vertelt.
De eekhoorn brengt de boodschap naar beneden,
Waar draak Nidhogg aan de wortels van de Es Yggdrasil knaagt.
33.
Vier herten zijn er,
Die met gebogen halzen,
Knabbelen aan de verse twijgjes van de Es:
Dain en Dwalin, Duneyr en Durathor.
34.
Meer slangen liggen onder de wortels van de Es,
Dan een dommerd zich voorstellen kan,
Goin en Moin, Grafwitnirs zonen,
Grabak en Grafwöllud, Ofnir en Swafnir,
Zullen eeuwig twijgen van de wortels eten.
35.
De Es Yggdrasil staat meer onrecht toe,
Dan de mensen weten.
Het hert eet boven de grond van de takken,
De stam is aan het rotten,
En van onder de grond knaagt nidhögger aan de wortels.
36.
De Walkuren Hrist en Mist brengen mij de hoorn met mede,
Skeggöld en Skögelm, Hlöck en Herfiötur,
Hild en Thrud, Göll en Geirölul,
Randgrid, Rathgrid en Reginleif,
Brengen de gevallen krijgers het bier.
37.
De paarden Arvak en Alsvith zullen altijd,
Met al hun kracht het gewicht van de zon omhoog trekken.
Maar onder hun schouders,
Hebben de Azen, vriendelijke goden van vroeger,
Het verkoelende ijzer verstopt.
38.
Voor de zon staat Svalin,
Het schild voor de schijnende god.
Bergen en zee zouden in vlammen opgaan,
Als het ooit voor de zon weg zou vallen.
39.
Sköll heet de wolf,
Jaagt de schijnende god,
Die wij als de zon kennen,
Naar het beschermende woud.
De andere wolf heet Hati Hrodwitnisson,
Hij wacht op de brandende hemelsbruid.
40.
Uit de reus Ymir zijn vlees werd de aarde geschapen,
Uit zijn bloed de zee,
Uit zijn botten de bergen,
Uit zijn haar de bomen,
Uit zijn schedel de hoge hemelen.
41.
Uit de wenkbrauwen van de reus Ymir,
Maakten de goden Midgaard,
Die wij de mensenwereld noemen.
Uit zijn hersenen maakten zij,
De donkere woelige wolken.
42.
De gunst van Ull,
En die van alle goden,
Is voor hem die het eerst in het vuur grijpt,
En de ketel van het vuur haalt,
Zodat de goden door het rookgat,
Binnen in het huis kunnen kijken.
43.
De zonen van Iwald maakten in het begin der tijden,
Het schip Skidbladni.
Het beste schip voor de glanzende god Freyr,
De goede zoon van Njord.
44.
De Es Yggdrasil is de eerste boom,
Skidbladnir het eerste schip,
Odin de eerste god,
Sleipnir het eerste paard,
Bifröst de eerste brug,
Bragi de eerste skald,
Habrok de eerste havik,
Garm de eerste hond.
45.
Ik heb de goden mijn gezicht laten zien,
Zodat zij mij geluk zullen brengen.
Want de boodschap is naar alle goden gegaan,
Die zitten in de stoelen van de zeegod Aegir,
En drinken binnen zijn deuren.
46.
Ik heet Grimr en Gangleri,
Herjan en Hialmberi,
Theck en Thridi,
Thudr en Udr,
Helblindi en Har.
47.
Sath en Svipal en Sanngetal,
Herteit en Hnikar,
Bileyg, Baleyg,
Bolverk, Fjolnir, Grim en Grimnir,
Glapsvith en Fjolsvith.
48.
Sithhott, Sithskegg,
Sigvader, Hnikuth,
Alvader, Valvader,
Atrith, Farmatyr:
Ik heb nooit maar één naam gehad,
Sinds ik bij de mensen kom.
49.
Grimnir noemden ze mij bij Geiröd,
Jalk heette ik bij Asmund.
Kialar was ik toen ik de slee trok.
Thror heet ik als er vergaderd wordt.
Als Vithur trek ik ten strijde,
Oski, Biflindi,
Jafnhor en Omi,
Gondlir en Harbard,
Als ik samen met de goden ben.
50.
Zo bedroog ik de oude reus Sokkmimir:
Ik noemde me Svithur en Svithrir,
Toen ik de beruchte zoon van Mithvitnir doodde.
51.
Dronken ben je Geiröd,
Teveel heb je gedronken.
Veel heb je verloren,
Want hulp van mij,
Of van mijn helden,
Krijg jij niet meer.
52.
Je hebt slecht geluisterd,
Naar alles wat ik vertelde.
Je vrienden hebben je bedrogen.
Ik zie nu jouw zwaard voor me vriend,
Dat helemaal nat van het bloed op je wacht.
53.
Jouw doorboorde lichaam,
Zal Ygg snel krijgen,
Want je leven is eindelijk voorbij.
De beschermvrouwen hebben zich tegen je gekeerd,
Kijk nu naar Odin!
Kom dichterbij als je kunt!
54.
Odin heet ik nu,
Ygg heette ik net,
Eerder noemden ze me Thund.
Vak en Skilfing,
Vofuth en Hroptatyr,
Gaut en Jalk als ik samen met de goden ben,
Ofnir en Svafnir.
Al die namen zijn volgens mij,
Geen ander dan ikzelf!
Koning Geirröd zat met het zwaard,
Half uit zijn schede getrokken op zijn knie.
Maar toen hij hoorde dat Odin naar hem toe was gekomen,
Stond hij op, en wilde Odin bij het vuur weghalen.
Het zwaard glipte uit zijn handen,
En viel met het handvat naar beneden.
De koning struikelde en viel voorover,
Het zwaard doorboorde hem,
En doodde hem…
Toen verdween Odin,
Maar Agnar regeerde lang als koning.
Gebruikte bronnen en studiemateriaal:
Edda – De liederen uit de Codex Regius en verwante manuscripten door Marcel otten
ISBN 978 90 263 1870 2
Edda – Goden en heldenliederen uit de Germaanse Oudheid
Door Dr. Jan de Vries
ISBN 978 90 202 4878 4
De maskers van Odin – Oud-Noorse wijsheid
Door Elsa-Brita Titchenell
http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/odin/16grimnismal.html
ISBN 978 90 703 2863 4
Volúspa.org – Norse and Germanic Lore site with
Old Norse / English translations of the poetic Edda and the prose Edda:
http://www.voluspa.org/grimnismal.htm
Die Edda – die Grossmutter der germanischen Mythen
Door Karl Simrock:
http://www.scribd.com/doc/62430460/Edda-Uebersetzt-Von-Igor-Warneck
Grimnismal – A study guide with commentary:
http://www.germanicmythology.com/PoeticEdda/Grimnismal.html
Wikisource: Poetic Edda – Grimnismal
http://en.wikisource.org/wiki/Poetic_Edda/Gr%C3%ADmnism%C3%A1l?match=de
